(aangepast op 21 augustus)
Ik heb een hele tijd gedacht als analyticus dat als ik maar lang genoeg nadenk, inzicht ontstaat. Dat wanneer als ik iets maar begrijp, analyseer of kan verklaren, ik vanzelf verder kom. Maar steeds vaker ervaar ik dat er een grens is aan wat denken mij kan brengen.
Doen leert wat denken niet kan weten.
Op dit moment krijgt dat doen in mijn leven allerlei verschillende vormen. Ik schrijf gedichten, Ik maak illustraties in de vorm van woord en beeld en druk dat vervolgens af op een t-shirt of op een ander kledingstuk. Wat eerst een gedachte was, is een beeld geworden, eerst op een scherm en nu draag ik dat ineens op straat. Een stukje ik die aan het doen is en juist door het te doen, ontdek ik iets wat ik vooraf nooit had kunnen bedenken.
Sinds 15 juni werk ik in de talenttuin, voor anderen misschien beter bekend als groentuin. Daarnaast loop ik kilometers per dag en zit ik bijna elke dag op mijn spinner. Mijn lichaam beweegt en mijn gedachten worden stiller. Niet iedere beweging hoeft ergens naartoe te leiden. Soms ontstaat juist tijdens het lopen, fietsen of werken ruimte voor iets wat zich niet laat afdwingen.
Zo ontstaan vaak ook mijn gedichten, vanuit leven. Een woord, ervaring of een onverwachte gedachte kan zich ineens aandienen. Schrijven is dan geen poging om het leven vast te leggen,- soms moet het eerst nog rijpen -maar een manier waarop het leven verder beweegt.
En er beweegt meer..
Op woensdag 19 augustus was het vijftig jaar geleden dat mijn moeder (38) plotseling overleed. Wat ik als kind (7) voelde, kon ik toen nog niet werkelijk begrijpen of onder woorden brengen. De pijn, het verdriet, de onmacht, het gevoel van verlaten zijn (in de steek laten) en alles wat daar nog meer doorheen stroomde, waren er wel — maar ik had er de woorden nog niet voor.
Een deel van die onmacht zat juist hierin:
Degene aan wie ik alles wilde vertellen over hoeveel ik haar miste, was degene die er niet meer was..
Ik wilde met mijn verdriet naar mijn moeder, maar mijn verdriet bestond juist omdat mijn moeder dood was. Als kind kon ik die tegenstelling niet verwoorden. Ik kon haar alleen voelen en denken : dit komt nooit meer goed..
Tegelijkertijd weet ik nu dat mijn moeder mij niet wilde verlaten. Zij kon hier niets aan doen. Zij wilde niet doodgaan en zij wilde mij niet achterlaten. Het gevoel van verlaten zijn (worden) was van mij als kind, zonder dat zij degene was die ervoor koos mij te verlaten. Die twee werkelijkheden kunnen naast elkaar bestaan. Ik kan beide nu dragen en daardoor ook loslaten wat ik vroeger alleen maar kon vasthouden.
Ik kan teruggaan naar wat ik toen voelde, Het werkelijk ervaren en er woorden aan geven. Ik kan schrijven over de pijn, het verdriet, de onmacht en het verlaten voelen. Daarmee verander ik niet wat er gebeurd is, maar geef ik wel taal aan iets wat heel lang woordeloos in mij heeft bestaan.
Schrijven is voor mij doen, mijn missie. En juist door te doen ontdek ik wat ik met denken alleen niet kon bereiken. Ik kan zien wat ik heb vastgehouden en daardoor ook de mogelijkheid zien om iets los te (mogen) laten. Niet mijn moeder. Niet mijn liefde voor haar en niet mijn herinneringen. Maar misschien wel datgene wat niet langer op dezelfde manier door mij gedragen hoeft te worden.
Doen leert wat denken niet kan weten
Wat ik als kind alleen kon voelen, kan ik nu voelen, ervaren én steeds beter verwoorden.
En juist daar ontstaat beweging in wat zo lang heeft vastgezeten..